Samenvatting hoofdlijnennotitie nieuw pensioenstelsel
30 juni 2020

Op 12 juni 2020 is door het kabinet, de werkgevers en de vakbonden een nadere uitwerking gepresenteerd over de hervorming van ons pensioenstelsel. Op 22 juni volgde de hoofdlijnennotitie van minister Koolmees. Hoewel nog niet alles concreet is ingevuld, wordt steeds meer duidelijk hoe ons toekomstig pensioenstelsel er uit moet gaan zien. Hieronder de belangrijkste punten uit het onderhandelingsresultaat tot nu toe.

Download pdf versie
 

Voor een uitgebreider artikel over de hoofdlijnennotitie klik hier.
Voor de volledige tekst van de hoofdlijnennotitie zelf klik hier.

 

  1. Gefaseerde overgang

De beoogde ingangsdatum wetgeving is 1 januari 2022. Vervolgens krijgen werkgevers en werknemers tot 1 januari 2024 de tijd om afspraken te maken op basis van deze nieuwe wetgeving. De uiterlijke datum waarop pensioenuitvoerders de afspraken geïmplementeerd moeten hebben is 1 januari 2026.

  1. Leeftijdsonafhankelijke premie

In het nieuwe pensioenstelsel zal sprake zijn van een leeftijdsonafhankelijke premie, waardoor de gelijke jaarlijkse pensioenopbouw zal verdwijnen. De fiscaal maximale premie zal vooralsnog 30-33% van de pensioengrondslag worden.

  1. Compensatie indien verwacht nadeel

Eventuele nadelen als gevolg van de overgang naar nieuw pensioenstelsel moeten adequaat en kostenneutraal worden gecompenseerd. Via een verplicht transitieplan moet dit per sector of werkgever worden ingevuld. Indien partijen er niet uitkomen, zal een onafhankelijke transitiecommissie als mediator optreden en indien nodig een bindend advies geven. Deelnemers krijgen persoonlijk inzicht in het verwachte pensioen vóór en na de overstap.

  1. Specifiek bij pensioenfondsen

Nieuw, doorontwikkeld pensioencontract
In plaats van pensioenaanspraken krijgt iedereen een deel van het collectief belegd vermogen toegerekend. Op basis van dit persoonlijk vermogen wordt met behulp van een projectierendement het verwacht pensioen bepaald. Het vermogen kan dalen en stijgen ten gevolge van per leeftijdsgroep toegerekende collectief behaalde beleggings- en sterfteresultaten, waarbij de verdeelregels van tevoren moeten worden vastgesteld. De rekenrente verdwijnt en de huidige buffers zijn niet meer nodig, waardoor er eerder kans is op verhoging, maar ook kans op verlaging. Via een niet toebedeelde collectieve solidariteitsreserve kunnen risico’s binnen en met toekomstige generaties worden gedeeld.

Verbeterde premieregeling
Deze is vergelijkbaar met een beschikbare premieregeling bij verzekeraars en PPI’s. In de opbouwfase is er individuele vermogensvorming op basis van lifecycle beleggen. Solidariteitselementen, zoals collectieve deling van beleggings- en sterfterisico in de uitkeringsfase, kunnen worden toegevoegd.

Invaren
Indien het standaard transitiepad wordt doorlopen, met inbreng van opgebouwde pensioenen in het nieuwe pensioencontract, dan kan bij de verantwoording worden verwezen naar een juridisch sluitende onderbouwing van de wetgever.

Versoepeling kortingsregels een jaar verlengd / stabiele premies en opbouw
Pensioenen hoeven per 1 januari 2021 niet verlaagd te worden indien de dekkingsgraad per
31 december 2020 minimaal 90% is. Tevens wordt gestreefd naar een stabiele premie en pensioenopbouw in 2021 ten opzichte van 2020.

  1. Specifiek bij verzekerde regelingen (verzekeraars en PPI’S)

Voor bestaande werknemers mag de leeftijdsafhankelijke staffel in een beschikbare premieregeling wordt voorgezet. Voor ons is nog niet duidelijk of een DB-regeling (middelloon of eindloon in een garantiecontract) voor hen ook mag worden voortgezet.

  1. Nabestaandenpensioen

Dit wordt voortaan op risicobasis verzekerd, diensttijdonafhankelijk, en gebaseerd op het hele salaris (dus geen aftrek van een franchise). Het fiscaal maximum partnerpensioen is 50% van het salaris. Het wezenpensioen krijgt een vaste eindleeftijd van 25 jaar, en is maximaal 20% van het salaris.

 

Commentaar LCP
De volgende stap naar een nieuw pensioenstelsel is gezet. Ten opzichte van het principeakkoord van 5 juni 2019 zijn met name met betrekking tot pensioenfondsen enkele punten gewijzigd. Vooral het verdwijnen van de directe omzetting van premie in aanspraken (degressieve opbouw) valt op, al zou die denkrichting administratief gezien ook tot enorme uitdagingen hebben geleid. Pensioenen zullen in de toekomst veel meer afhankelijk worden van behaalde beleggingsresultaten, en de risico’s voor pensioendeelnemers zullen groter worden (zowel positief als negatief). In de communicatie over verwachte pensioenuitkeringen gaan de gehanteerde veronderstellingen dan ook een nog grotere rol spelen. Om de verwachtingen van deelnemers te managen zullen pensioenfondsen kritisch moeten blijven op deze veronderstellingen.

Voor verzekerde pensioenregelingen geldt nog steeds dat er een grote transitielast aan zit te komen. Wij verwachten niet dat hiervoor een generieke (financierings-)oplossing aangedragen zal worden. Werkgevers zullen samen met vakbonden, ondernemingsraden en/of individuele medewerkers moeten bespreken op welke wijze de transitie wordt vormgegeven en hoe de toekomstige pensioenkostenstijging gefinancierd kan worden. Uiteraard kunnen de consultants van LCP u hierbij van dienst zijn.

 

Cookies on the Lane Clark & Peacock website

By using this website, you accept the use of cookies. For more information on how to manage cookies, please read our privacy policy.