Advies Commissie Parameters 2019
12 juni 2019

Op 6 juni 2019 heeft de Commissie Parameters advies uitgebracht over de te hanteren parameters 2020 – 2024 en over de ultimate forward rate (UFR). Op 11 juni heeft minister Koolmees bekend gemaakt dat het kabinet het advies ten aanzien van de parameters zal overnemen en dat de nieuwe parameters zullen gelden vanaf 1 januari 2020. Ook DNB onderschrijft het advies van de Commissie volledig en zal vanaf 1 januari 2021 maandelijks een rentetermijnstructuur conform het gegeven advies publiceren.

Download pdf versie
 

Pensioenfondsen moeten diverse berekeningen maken die gebaseerd zijn op verwachtingen. Voor deze verwachtingen gelden wettelijke grenzen, die mede gebaseerd zijn op adviezen van de Commissie Parameters. Aanpassing van de parameters en de UFR heeft invloed op de voorzieningen die pensioenfondsen moeten aanhouden, maar ook op de premie die zij moeten vragen, de herstelperiode, de toekomstige toeslagverlening en (dus) het pensioenresultaat van de deelnemers. Zie ook ons artikel van 20 februari.

Parameters 2020 – 2024
De Commissie houdt vast aan het hanteren van vaste maximum verwachtingswaarden, die onafhankelijk zijn van de rentestand. In de markt is het meer gebruikelijk om te werken met risicopremies (bovenop de risicovrije rente). De Commissie merkt echter op dat de wetenschappelijke literatuur geen eenduidig en robuust beeld geeft om met risicopremies te gaan werken, terwijl dit wel tot onnodige variatie leidt in het door pensioenfondsen te hanteren verwachte rendement op zakelijke waarden. Het hanteren van vaste verwachtingswaarden leidt daarentegen tot een stabielere (gedempte) kostendekkende premie.

Onderstaande tabel toont de nieuwe parameters (2020 – 2024), waarbij tussen haakjes de oude waarden (2015 – 2019) zijn opgenomen.

De maximale netto verwachtingswaarden van zakelijke waarden zijn fors verlaagd. De verlaging varieert tussen 1,1% en 1,65%:

  • De Commissie heeft het historische rendement op Beursgenoteerde aandelen in de periode 1900 – 2017 verlaagd met 1,3% om enerzijds rekening te houden met de lagere reële rente en anderzijds te corrigeren voor stijgende koers-winstverhoudingen.
  • De Commissie verwacht verder dat het nettorendement op Overige zakelijke waarden niet veel afwijkt van het nettorendement op Beursgenoteerde aandelen “gezien de risicoprofielen van beide categorieën”. Daarom wordt eenzelfde nettorendement verondersteld, waarbij wel een aanmerkelijk hogere kostenopslag geldt.
  • Voor beursgenoteerd vastgoed wordt een bruto rendement vergelijkbaar met beursgenoteerde aandelen verondersteld, en in lijn met de vorige Commissie Parameters wordt verondersteld dat Niet-beursgenoteerd vastgoed 1% lager brutorendement maakt.
  • Voor Grondstoffen geldt dat het historisch meetkundig rendement (1970 – 2017) weliswaar gemiddeld 6,8% is, maar dat het gemiddelde in de laatste 30 jaar 1,8% is, in de laatste 20 jaar slechts 0,8% en in de laatste 10 jaar zelfs negatief. Het maximaal verwachte rendement heeft de Commissie gebaseerd op de veronderstelde wereldinflatie van 2,5% à 3%, verhoogd tot 3,5% in verband met de schaarste van grondstoffen waardoor de prijzen hiervan sterker zullen stijgen dan de wereldinflatie.

Bij de vaststelling van de premies voor 2020 mogen pensioenfondsen nog rekening houden met de parameters die in 2019 van kracht zijn. De lagere maximale veronderstellingen werken dus pas door in de premie vanaf 2021.

UFR vanaf 1 januari 2021
De Commissie Parameters heeft ook geadviseerd over aanpassingen in de rentetermijnstructuur. DNB heeft al aangekondigd deze adviezen over te nemen bij de vaststelling van de rentetermijnstructuur vanaf 1 januari 2021. Het betreft de volgende wijzigingen:

  • Het startpunt van de extrapolatie (“First Smoothing Point”) wordt op 30 jaar gelegd, in plaats van de huidige 20 jaar. Als onderbouwing geeft de Commissie dat marktpartijen hebben aangegeven dat de swapmarkt tot looptijden van 30 jaar zeer liquide is. Aangezien de opdracht van de Commissie was om zoveel mogelijk aan te sluiten bij marktinformatie, is gekozen voor de 30-jaarsrente als startpunt.
  • De extrapolatiemethode wordt aangepast, waarbij onder andere de convergentie naar de UFR aanmerkelijk minder snel verloopt.
  • Het niveau van de UFR wordt aangepast naar het 120-maands ongewogen voortschrijdend gemiddelde van de 30-jaars forwardrente met looptijd 1 jaar. Momenteel is dat nog de 20-jaarsforwardrente.

De Commissie Parameters onderbouwt in haar advies ook uitgebreid waarom niet aangesloten wordt bij de Europese UFR die voor verzekeraars geldt. Belangrijke redenen zijn dat het niveau van deze EIPOA-UFR onvoldoende onderbouwd is en dat deze UFR niet voldoende aansluit bij het uitgangspunt dat de UFR-methode zo goed mogelijk dient aan te sluiten bij marktinformatie.

Per saldo houdt de wijziging van de UFR-methodiek in dat de UFR op een lager niveau komt te liggen (2,1% per 31 december 2018, ten opzichte van 2,3% volgens de huidige methodiek). Op basis van de huidige marktomstandigheden daalt ook de hele rentecurve door de drie wijzigingen gezamenlijk.

Bovendien adviseert de Commissie aan DNB om de scenariosets ten behoeve van de haalbaarheidstoetsen te vergroten van 2.000 naar 10.000 scenario’s. Een onderbouwing hiervan wordt niet gegeven door de Commissie.

Impactanalyse
De Commissie Parameters heeft in haar advies de gemiddelde impact voor de pensioenfondsensector opgenomen:

  • De actuele dekkingsgraad daalt gemiddeld met 2,5%, waarbij grote verschillen tussen fondsen zullen ontstaan. Bij meer dan tien pensioenfondsen is de verwachte stijging van de verplichtingen meer dan 7%. Aangenomen mag worden dat dit groene pensioenfondsen zijn, waarbij de gemiddelde leeftijd relatief laag is.
  • De Commissie stelt dat de feitelijke premie in een beperkt aantal gevallen niet meer kostendekkend zal zijn, maar dat de impact bij de meeste pensioenfondsen afhankelijk is van de mate waarin het fonds een prudentiemarge tussen de feitelijke en de kostendekkende premie wil blijven hanteren. De minimaal vereiste premie zal met ongeveer 19% toenemen, maar de feitelijke premie zou gemiddeld slechts 3% hoeven stijgen. Volgens de Commissie moeten circa 20 pensioenfondsen de premie met meer dan 10% verhogen, waarvan dit voor een beperkt aantal fondsen oploopt naar meer dan 15%.
  • Kritische dekkingsgraden (d.w.z. de grens van de dekkingsgraad waaronder kortingen in een herstelplan noodzakelijk zijn) stijgen met gemiddeld 6,5%.
  • De hoogte van de dekkingsgraad waarbij volledige prijsindexatie is toegestaan, neemt toe met gemiddeld 2,7%.

 

Commentaar LCP
In lijn met de algemene verwachtingen zijn de maximale rendementsparameters neerwaarts bijgesteld. Wij vermoeden echter dat er maar weinig pensioenfondsen rekening hadden gehouden met een verlaging van de UFR. Door de lagere ingroeifactor convergeert de marktrente langzamer naar deze UFR. In de huidige markt, waarbij de rente lager is dan de UFR, leidt dat logischerwijs tot hogere verplichtingen. Wat als positief gezien kan worden, is dat de UFR ook minder relevant wordt als de lange rente op termijn sterk gaat stijgen. En mocht deze stijging zich de komende decennia niet voordoen, dan is het in het kader van evenwichtige belangenafweging tussen de generaties wellicht niet zo gek dat meer aansluiting gezocht wordt bij de “werkelijke” marktrente.

Pensioenfondsen zullen moeten bekijken wat de twee majeure ontwikkelingen in de afgelopen week voor hun deelnemers gaat betekenen. Terwijl het principeakkoord een tijdelijke maatregel bevat om het aantal kortingen en de hoogte van kortingen te beperken, kunnen de nieuwe parameters leiden tot meer en hogere kortingen. Voor de korte termijn gaat het dan met name om het advies inzake de UFR, al lijkt de aanpassing per 1 januari 2021 (in plaats van 31 december 2020, de ijkdatum voor veel pensioenfondsen inzake eventuele kortingen) handig uit te komen. DNB noemt als reden voor deze datum de lopende hervorming van de rentebenchmark en het voorkomen van twee wijzigingen in de rentetermijnstructuur in korte tijd.

Met betrekking tot de premiestelling merkt de Commissie op dat de feitelijke premie slechts 3% hoeft te stijgen, terwijl de kostendekkende premie met gemiddeld 19% stijgt. Dit laatste percentage is in lijn met de stijging die we reeds noemden in ons artikel van 20 februari. De Commissie gaat er blijkbaar vanuit dat er gemiddeld veel ruimte zit tussen de gedempte kostendekkende premie en de feitelijke premie. Onze ervaring is echter dat er grote verschillen zijn tussen pensioenfondsen, en we verwachten dat deze ruimte voor de grotere pensioenfondsen beperkt is. Een voordeel is wel dat veel VPL-regelingen in 2020 aflopen. Mogelijk dat de stijging van de premie bij veel fondsen kan worden opgevangen door de vrijval van de bijbehorende VPL-premie, al is het aan de sociale partners om hierover te besluiten.

In het advies van de Commissie Parameters wordt niet gesproken over de impact op variabele pensioenuitkeringen bij een beschikbare premieregeling. Deelnemers met een variabele uitkering met een hoge ingerekende daling kunnen in 2020 geraakt worden door een verplichte aanpassing van de ingerekende daling. Hierdoor zal de pensioenuitkering in 2020 eenmalig extra dalen. Het beleggingsrendement en de ontwikkeling van de marktrente in 2019 zullen overigens ook effect hebben op de hoogte van de uitkering.

Nu de Commissie Parameters advies heeft uitgebracht, kunnen pensioenfondsen in kaart brengen hoe zij worden geraakt door de aanpassingen. Vervolgens kan het gesprek worden aangegaan met belanghebbenden. LCP kan u uiteraard helpen bij deze analyses.

 

Cookies on the Lane Clark & Peacock website

By using this website, you accept the use of cookies. For more information on how to manage cookies, please read our privacy policy.