Jaarwerkanalyse: renteontwikkeling 2018
4 februari 2019

De komende maanden gaan pensioenfondsen aan de slag met hun jaarverslag 2018. Onderdeel hiervan is een actuariële analyse van het resultaat. In dit artikel geven we een voorschot op de analyse van het resultaat op de renteontwikkeling.

 

De rente heeft een belangrijk effect op de balansposten van een pensioenfonds. Zowel de waarde van de voorziening als de waarde van de rentegevoelige beleggingen worden beïnvloed door de rentestand en -ontwikkeling. Een lagere rente leidt tot een hogere voorziening en tevens tot een hogere waarde van de rentegevoelige beleggingen. Hoe dit uitpakt op de balans en de dekkingsgraad is afhankelijk van het rente(afdekkings)beleid van het pensioenfonds. Aangezien we daar geen algemene uitspraken over kunnen doen, behandelen we slechts de ontwikkeling van de voorziening.

Renteontwikkeling 2018
Pensioenfondsen zijn verplicht de door De Nederlandsche Bank (DNB) gepubliceerde rentetermijnstructuur (RTS) te gebruiken bij het bepalen van de waarde van de voorziening. In onderstaande grafiek is (onder andere) de RTS per eind 2017 te zien. In de RTS per eind 2017 is een aanpassing gemaakt vanaf looptijd 20 jaar op basis van een ultimate forward rate (UFR) van 2,6%.

Op basis van de RTS is een forward curve per eind 2018 te maken. Als de RTS per eind 2018 precies gelijk zou zijn aan deze forward curve, dan zou er geen rente-effect zijn op de voorziening. De RTS per eind 2018 is echter niet gelijk aan de forward curve, waardoor er wel een rente-effect is. Dit rente-effect is te splitsen in een effect van marktrente-ontwikkeling en een effect vanwege UFR-ontwikkeling. De UFR per eind 2018 is namelijk 2,3% en is dus lager dan de UFR per eind 2017.

Onderstaande figuur toont vier rentecurves voor looptijd 1 tot en met 100 jaar, namelijk:

  • De DNB-RTS per 31 december 2017;
  • De forward curve per 31 december 2018 op basis van de DNB-RTS per eind 2017;
  • De DNB-RTS per 31 december 2018 rekening houdend met een UFR van 2,6%; en
  • De feitelijke DNB-RTS per 31 december 2018.

 

In de figuur is te zien dat de DNB-RTS eind 2018 met de oude UFR (2,6%) onder de forward curve ligt. De rente is dus lager dan verwacht op basis van de rente eind 2017. Daarnaast is de UFR gedaald, waardoor de rentes vanaf looptijd 20 jaar lager zijn dan met gebruikmaking van de oude UFR. Zowel de ontwikkeling van de marktrente als de ontwikkeling van de UFR leiden tot een stijging van de voorziening. Hoeveel dit is, is afhankelijk van de kenmerken van het pensioenfonds. Onderstaande tabel geeft een indicatie voor een “jong”, “gemiddeld” en “oud” pensioenfonds.

Zoals eerder aangegeven is er ook een effect op de rentegevoelige beleggingen. Dit betreft enkel een effect als gevolg van de ontwikkeling van de marktrente. Een jong pensioenfonds heeft in 2018 een netto beleggingsrendement van ongeveer 6,5% nodig gehad om de dekkingsgraad op peil te houden, terwijl een oud pensioenfonds genoeg had aan een rendement van circa 3%. In de komende maanden zullen we in de jaarverslagen zien in hoeverre de pensioenfondsen daartoe in staat zijn gebleken.

Overigens zal het UFR-effect, op basis van de huidige methodiek en de huidige marktrente, ook in de komende jaren leiden tot een hogere voorziening en dus neerwaartse druk op de dekkingsgraden, zoals wij in januari 2015 voorzagen. Mogelijk dat de onlangs ingestelde Commissie Parameters zal adviseren om de UFR-methodiek aan te passen om dit te voorkomen. En mogelijk zal DNB dat advies opvolgen…

 

Cookies on the Lane Clark & Peacock website

By using this website, you accept the use of cookies. For more information on how to manage cookies, please read our privacy policy.