Wetsvoorstel waardeoverdracht klein pensioen en omzetting opgebouwd pensioen naar nieuwe pensioenrichtleeftijd
1 september 2017

Op 30 augustus 2017 heeft het kabinet het Wetsvoorstel waardeoverdracht klein pensioen naar de Tweede Kamer gezonden. Onderbelicht onderdeel van dit wetsvoorstel is dat individuen geen bezwaar meer kunnen aantekenen tegen collectieve omzetting van opgebouwde pensioenen naar de meest recente fiscale pensioenrichtleeftijd, indien sociale partners de pensioenuitvoerder hierom verzoeken.

 

Volgens de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel kunnen pensioenuitvoerders hun uitvoeringskosten beperken door middel van één pensioenleeftijd voor alle opgebouwde pensioenaanspraken. Daarnaast kunnen pensioenuitvoerders met één pensioenleeftijd de communicatie aan (gewezen) deelnemers eenvoudiger en helderder maken. Daardoor worden (gewezen) deelnemers beter in staat gesteld om de eigen pensioensituatie te beoordelen.

Individueel bezwaarrecht vervalt bij collectieve omzetting
In de praktijk levert het uitstellen van pensioen van leeftijd 65 naar 67 jaar, en later weer vervroegen naar 65 jaar, voor een individu niet altijd hetzelfde pensioen op. Zo becijferde het Actuarieel Genootschap dat, indien sprake is van een dalende marktrente, zo’n omzetting tot circa 2,8% voordeel kan leiden. Uiteraard kan dit ook andersom uitpakken. Mede om die reden hebben pensioenuitvoerders aan de wetgever gevraagd hoe hier mee om te moeten gaan in relatie tot het huidige recht van een deelnemer om bezwaar te maken tegen zo’n omzetting.

In het wetsvoorstel wordt voorgesteld om het individuele bezwaarrecht te laten vervallen onder voorwaarde dat op voorhand geen voor- of nadeel aanwezig voor een verzekerde. Dit heeft geleid tot de volgende voorwaarden:

  • De omzetting dient te geschieden naar een pensioenrichtleeftijd zoals deze luidt of heeft geluid in de Wet op de Loonbelasting. Leeftijden 65, 67 en 68 jaar zijn dus toegestaan, terwijl bij leeftijd 66 het individuele bezwaarrecht blijft bestaan.
  • De pensioenregeling moet voorzien in de mogelijkheid de ingangsdatum van het pensioen weer te vervroegen naar de ingangsdatum vóór wijziging. Dit vergt dus een controle op de pensioenreglementen, door de werkgever of zijn adviseur.
  • Bovendien dient de combinatie van collectieve herrekening gevolgd door individuele vervroeging op omzettingsmoment niet tot aantasting van de aanspraken te leiden. Het is wel geoorloofd dat dit na verloop van tijd gebeurt, bijvoorbeeld door de ontwikkeling van de marktrente en de overlevingskansen.
  • Bij de vervroegingsfactoren mogen geen selectiefactoren in aanmerking worden genomen. Er mag bijvoorbeeld geen rekening meer mee worden gehouden dat vrouwen naar verwachting meer gebruik maken van vervroeging dan mannen. Pensioenuitvoerders die nog wel selectiefactoren hanteren, moeten die dus laten vervallen.

Het wetsvoorstel maakt ten slotte ook duidelijk dat bij collectieve omzetting van vroegpensioenaanspraken in levenslange ouderdomspensioenaanspraken het individuele bezwaarrecht gehandhaafd blijft, omdat daarmee het karakter van de pensioenaanspraken wijzigt en omdat individuele vervroeging van een levenslang ouderdomspensioen naar een tijdelijk ouderdomspensioen thans niet is toegestaan.

Hoofdonderwerp waardeoverdracht klein pensioen
Het hoofdonderwerp van dit wetsvoorstel is dat kleine pensioenen hun pensioenbestemming behouden. In ons eerdere artikel van november 2016 zijn wij uitgebreider ingegaan op dit wetsvoorstel. Het streven van het kabinet is de wet per 1 januari 2018 in werking te laten treden.

Commentaar LCP
Met het omzetten van alle pensioenen naar dezelfde pensioenrichtleeftijd zal de pensioenadministratie en -  communicatie eenvoudiger worden. Pensioenuitvoerders zullen hier waarschijnlijk graag aan meewerken.
Verzekerden krijgen hierdoor een beter begrip van hun pensioensituatie.

Achteraf kan blijken dat aanpassing van de pensioenleeftijd, gevolgd door een latere terugkeer naar de oorspronkelijke datum, voordelig of nadelig uitpakt. Dit wordt deels voorkomen door selectiefactoren te verbieden. Maar bij de huidige lage marktrente is het de verwachting dat de rente eerder zal stijgen dan dalen, wat voor een verzekerde veelal leidt tot nadeel in geval van gewenste vervroeging van de pensioendatum. In de toelichting op het wetsvoorstel wordt nog de relativerende opmerking gemaakt dat mogelijke verschillen klein zijn in verhouding tot andere factoren die een veel grotere invloed op het uiteindelijke pensioenresultaat hebben (zoals een verandering in de levensverwachting of kortingen). Hieruit blijkt eens en te meer dat het wetvoorstel, zoals zo vaak, is geschreven vanuit de pensioenfondsoptiek. Immers, bij garantiecontracten bij pensioenverzekeraars zijn deze andere factoren niet van toepassing.

Een collectieve aanpassing van pensioenaanspraken naar een nieuwe pensioenleeftijd vindt plaats op verzoek van een werkgever, of bij een bedrijfstakpensioenfonds, op verzoek van de partijen die de pensioenregeling zijn overeengekomen. Afgevraagd dient te worden of, in het eerste geval, de ondernemingsraad van een werkgever nog een rol dient te spelen. Het betreft immers een wijziging van een regeling op grond van een pensioenovereenkomst, hetgeen instemmingsplichtig is conform de WOR. Voor de situatie dat een werkgever niet meer bestaat is in het wetsvoorstel overigens niets geregeld; wat inhoudt dat de pensioenaanspraken alleen op individuele basis uitgesteld en vervroegd kunnen worden.

Cookies on the Lane Clark & Peacock website

By using this website, you accept the use of cookies. For more information on how to manage cookies, please read our privacy policy.