Wijziging WOR inzake pensioen
9 februari 2016

Eind december 2015 heeft staatssecretaris Klijnsma een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend, waarmee de bevoegdheden van de OR rondom de arbeidsvoorwaarde pensioen worden uitgebreid. Het wetsvoorstel leidt er toe dat de OR voortaan instemmingsrecht krijgt bij vaststelling, wijziging of intrekking van een pensioenovereenkomst. Dit geldt voortaan ongeacht of de pensioenuitvoerder een pensioenfonds, een verzekeraar of een premie pensioen instelling is. Onderdelen van de uitvoeringsovereenkomst kunnen ook onder het instemmingsrecht vallen, namelijk voor zover deze onderdelen direct van invloed zijn op de pensioenovereenkomst. Het is de bedoeling dat het wetsvoorstel 1 juli 2016 in werking treedt.

 

Instemmingsrecht OR heeft betrekking op de pensioenovereenkomst …

In Artikel 27 lid 1 van de Wet op de Ondernemingsraden (WOR) wordt “een regeling met betrekking tot een pensioenverzekering” gewijzigd in “regelingen met betrekking tot een pensioenovereenkomst”. De belangrijkste wijziging hierin is dat de term “pensioenverzekering” is veranderd in “pensioenovereenkomst”. Hiermee wordt benadrukt dat het primair gaat om de arbeidsvoorwaarde pensioen. De pensioenovereenkomst wordt immers gesloten tussen werkgever en werknemer en bevat de pensioentoezegging. Hieruit vloeit voort dat het instemmingsrecht (in principe) niet meer afhankelijk is van de gekozen pensioenuitvoerder.

Er is sprake van een regeling voor zover dat wat in de pensioenovereenkomst staat overeenkomt met wat in pensioenovereenkomsten van alle of een groep van de in de onderneming werkzame personen staat. Voor de OR is dit van belang, omdat daarmee duidelijk is dat alleen in ingeval het een afwijkende pensioenovereenkomst voor een individuele werknemer betreft, een pensioenovereenkomst niet onder het instemmingsrecht zal vallen.

In lid 3 is reeds geregeld dat instemming van de OR niet vereist is indien de pensioenregeling reeds inhoudelijk is geregeld in een cao of in een arbeidsvoorwaardenregeling van een publiekrechtelijk orgaan. Toegevoegd wordt dat instemming van de OR ook niet vereist is indien de pensioenovereenkomst is ondergebracht bij een verplicht gesteld BPF, voor het deel dat verplicht door dat BPF wordt uitgevoerd. Dit geldt óók in geval een onderneming zich vrijwillig heeft aangesloten bij het BPF! Dat is toch wat vreemd, omdat een vrijwillige aansluiting – al dan niet op verzoek van de OR - door de werkgever kan worden beëindigd. Er is dus beleidsvrijheid bij de werkgever om de door het BPF doorgevoerde wijzigingen wel of niet te accepteren. Voor het besluit daartoe zou naar onze mening de instemming van de OR gevraagd moeten worden.

… en ook op onderdelen van de uitvoeringsovereenkomst

In artikel 27 lid 7 komt de uitvoeringsovereenkomst wel weer aan bod. Daar is namelijk bepaald dat regelingen bepalingen? in de uitvoeringsovereenkomst die direct van invloed zijn op de pensioenovereenkomst eveneens vallen onder het instemmingsrecht van de OR. Als voorbeelden waar dit in ieder geval voor geldt, worden in lid 7 genoemd de wijze waarop de premies worden bepaald en de voorwaarden waaronder toeslagverlening plaatsvindt.

De OR dient daarbij te beseffen dat artikel 27.7 slechts voorbeelden noemt en geen uitputtende opsomming bevat. In eerste instantie zal de ondernemer zelf moeten beoordelen of vaststelling, wijziging of intrekking van (onderdelen van) de uitvoeringsovereenkomst instemming van de OR vereist. De OR zal dit echter ook zelfstandig moeten kunnen beoordelen. In artikel 31.f van de WOR wordt daarom de bepaling opgenomen dat de ondernemer verplicht is de OR zo spoedig mogelijk te informeren over iedere voorgenomen vaststelling, wijziging of intrekking van een uitvoeringsovereenkomst of uitvoeringsreglement. In het geval de ondernemer en de OR van mening verschillen over het al dan niet vereist zijn van instemming door de OR, zal de OR kunnen proberen instemming via een gerechtelijke procedure af te dwingen. De bewijslast om iets als instemmingplichtig aan te wijzen lijkt bij de OR te liggen.

Een ander voorbeeld waar de OR goed op moet letten is de situatie dat de werkgever besluit een verzekerde pensioenregeling onder te brengen bij een Algemeen Pensioenfonds (APF). Vanaf 1 januari van dit jaar kunnen APF’s opgericht worden. De verwachting is dat dit vooral voor verzekerde Defined Benefit regelingen een aantrekkelijk alternatief kan zijn, in plaats van een nieuwe uitvoeringsovereenkomst met een verzekeraar. De OR dient zich te realiseren dat een APF minder zekerheid geeft dan een verzekeraar. Dit levert op zich al een wijziging van de pensioenovereenkomst op en daarvoor is instemming van de OR vereist. Delen van de uitvoeringsovereenkomst met een APF zullen mede daardoor van directe invloed zijn op de pensioenovereenkomst. Per 1 juli a.s. zal de OR met deze wetswijziging rechtstreeks instemmingsrecht krijgen op (delen van) een te sluiten uitvoeringsovereenkomst met een APF.

Een OR die te maken krijgt met een vrijwillige aansluiting bij een BPF, zal goed moeten kijken of en wanneer die aansluiting kan worden beëindigd. Het lijkt verstandig in dat geval een bovenwettelijk instemmingsrecht nader vast te leggen in een ondernemingsovereenkomst.

… maar niet op het pensioenreglement?

De memorie van toelichting geeft duidelijk aan dat de OR geen instemmingsrecht heeft op onderdelen van het pensioenreglement, omdat het pensioenreglement betrekking heeft op de relatie deelnemer – pensioenuitvoerder en niet op de relatie werkgever – werknemers. Dit zou opgaan indien het pensioenreglement zich zou beperken tot de relatie deelnemer – pensioenuitvoerder. Op grond van de pensioenwet bevat het pensioenreglement in ieder geval bepalingen inzake inkomende waardeoverdrachten, en actuariële factoren die gebruikt worden bij hoger of eerder ingaand pensioen, uitruil van ouderdomspensioen in partnerpensioen en bij afkoop klein pensioen. Maar in de praktijk is het pensioenreglement veel uitgebreider en bevat het de complete beschrijving van de pensioenregeling die met de pensioenovereenkomst is toegezegd. De pensioenovereenkomst zelf is meestal niet meer dan een in de arbeidsovereenkomst opgenomen verwijzing naar het pensioenreglement. Het is in onze ogen dan ook niet logisch dat de OR wel instemmingsrecht heeft op de pensioenovereenkomst, maar niet op het pensioenreglement.

Tot slot, de buitenland route

In artikel 27.8 wordt bepaald dat voor elk door de ondernemer voorgenomen besluit tot onderbrenging van de pensioenovereenkomsten bij een pensioenuitvoerder buiten Nederland de instemming van de OR vereist is. Dit lijkt ons een overbodige bepaling, omdat een dergelijk besluit direct tot gevolg zal hebben dat andere zekerheidswaarborgen, andere premiestelling en andere voorwaarden voor toeslagverlening zullen gaan gelden. Op grond van artikel 27.1 in combinatie met 27.7 zal dan al instemming van de OR vereist zijn.

Pensioenwet

In artikel 23.4 van de Pensioenwet is bepaald dat artikel 27 van de WOR ook van toepassing is op een voorgenomen besluit tot onderbrenging van de pensioenovereenkomst bij een premie pensioen instelling of bij een pensioeninstelling uit een andere lidstaat. Met de voorgestelde wijziging van de WOR wordt artikel 27 van toepassing ongeacht de pensioenuitvoerder. Daarmee wordt artikel 23.4 van de pensioenwet overbodig. Dit wordt daarom geschrapt.

Conclusie

Hoewel aan het wetsvoorstel nog een aantal haken en ogen zitten, zal aanvaarding van het wetsvoorstel een duidelijke verbetering in de rechtspositie van de OR brengen als het gaat om de collectieve pensioenregeling. Het is aan de OR om op gepaste wijze van haar instemmingsrechten gebruik te maken, en daar waar nodig op voorhand duidelijke afspraken te maken met de werkgever over eventuele bovenwettelijke instemmingsrechten. Wij zullen met onze kennis en ervaring een OR daar graag bij helpen.

Cookies on the Lane Clark & Peacock website

By using this website, you accept the use of cookies. For more information on how to manage cookies, please read our privacy policy.